Benieuwd naar wat de impact van mijn OCD was op mijn zwangerschap en kersverse ouderschap?

Als ik kort zou moeten samenvatten wat de kern is van mijn dwangstoornis, dan is dat een allergie voor vergankelijkheid. Of simpeler gezegd: een extreme angst voor verlies en de dood, en dan met name gevreesd verlies door míjn schuld. Je zou het ook kunnen zien als uit de hand gelopen verantwoordelijkheidsgevoel. En er is haast geen grotere verantwoordelijkheid voor te stellen dan je kindje goed en wel op de wereld te zetten en te verzorgen. Een uitstekend onderwerp voor mijn OCD om zich aan vast te klampen…

Kleine trigger warming: In deze tekst leg ik uit hoe mijn Smetvrees evolueerde naar Nare-voorstellingen-OCD en False memory OCD , maar ook wat me geholpen heeft om hiermee om te gaan.

Extra context bij dit verhaal: Ik heb OCD sinds mijn 7e jaar, maar weet dat pas sinds mijn 28e jaar. 4 maanden na mijn bevalling kwam ik erachter dat ik een dwangstoornis heb. Ik ontdekte dit door het lezen van het boek: Vals Alarm, van Menno Oosterhoff.

De reden dat mijn dwang zo lang onder de radar is gebleven?

  • OCD kan zich enorm divers uiten, wat herkenning moeilijk kan maken. Zowel wanneer je hier zelf last van hebt, als ook voor professionals.
  • OCD gaat vaak gepaard met enorm veel schaamte en angst. Ik durfde veel van mijn klachten niet te delen met hulpverleners. En wat ik niet vertel, daar kon men mij niet bij helpen.

Mijn gehele zwangerschap stond in het teken van het opsporen en voorkomen van gevaar uit angst mijn kindje te verliezen, door iets wat ik in theorie fout zou kunnen doen. Standaard adviezen die gelden voor zwangeren, bijvoorbeeld over het verschonen van de kattenbak en het niet eten van rauw vlees en rauwe eieren trok ik in het extreme door. Ik werd al bang van de aanwézigheid van onze kat, het kleedje waar hij op lag of een druppel rauw ei op het aanrecht. Het gevaar van toxoplasmose en listeria werd door mijn OCD totaal uit de context getrokken.

En hetzelfde gold voor overige voedingsadviezen, bijvoorbeeld die van het Voedingscentrum. Daar las ik iets over dat je als zwangere kruiden met mate diende te gebruiken (ik citeer letterlijk: dit i.v.m. “plantengifstoffen”), ook bij bijvoorbeeld basilicum. Bij het woord gif ging er natuurlijk meteen een alarm af in mijn hoofd en met de tip ‘gebruik met mate’ kon mijn dwangmatige geest niets. Want hoeveel is met mate precies? Het gevolg: ik durfde mijn gehele zwangerschap geen kruiden meer te gebruiken. En deze vergezochte denkwijze gold voor ontelbare voedingsmiddelen, schoonmaakmiddelen en huishoudapparaten. Zelfs strijken durfde ik niet meer vanwege achtergebleven restjes water in mijn stoomstrijkijzer, want wat als ik daar bij inademing legionella van zou kunnen krijgen… Meerdere malen per week belde ik in paniek naar mijn verloskundige om haar de meest vergezochte doemscenario’s voor te leggen waarin mijn ongeboren kindje misschien gevaar had gelopen. Zonder geruststelling van een professional kwam ik niet meer uit mijn paniek. Dit speelde zich allemaal af in het eerste trimester.

In de loop van mijn zwangerschap werd mijn opsporingsapparaat voor vermeend gevaar steeds gevoeliger; totdat het dagelijks leven al snel niet meer mogelijk was. Ik vermeed alles wat me doodsangsten gaf en die vermijding breidde zich in moordend tempo uit als een olievlek. Dingen als koken of het huishouden doen kon ik niet meer en kwamen op de schouders van mijn man te liggen, naast zijn 40-urige werkweek. Ook verloor ik hierdoor mijn baan als dierenartsassistente. Ik durfde niet eens meer het toetsenbord op het werk aan te raken, laat staan een hond!

Ondanks dat mijn zwangerschap lichamelijk gezien perfect verliep en ik super gelukkig was dat ik zwanger was, was het psychisch een hel. Niet echt een verhaal om mee aan te komen als iemand je vraagt: “Hoe gaat het?” Wetende dat men meestal een ‘roze-wolkantwoord’ verwacht; wat een groot contrast was met de werkelijkheid waar ik middenin zat.

Halverwege mijn zwangerschap stuurde mijn verloskundige me door naar een psycholoog. En al deelde ik wel een stukje van mijn verhaal, de bittere ernst van mijn situatie durfde ik haar niet te vertellen. Zij zag daardoor alleen het topje van de ijsberg. Ik schaamde me enorm en was, toen al, heel erg bang dat ze mij als moeder wellicht ongeschikt zou vinden als ze zou weten hoe slecht het werkelijk met me ging. Ondanks de goede bedoelingen van de psychologe ging er toch iets fout in de voorlichting die ik van haar kreeg. Ze vertelde me dat ik vanwege mijn angststoornis (de OCD herkende ze nog niet), na mijn bevalling een verhoogde kans zou hebben op een kraambedpsychose.

Even ter verduidelijking: mijn psycholoog had het fout, dat vertelde gepensioneerd psychiater Menno Oosterhoff (en anderen) me later. OCD en kraambedpsychoses hebben niets met elkaar te maken. Mét OCD of angstklachten heb je geen groter risico op zo’n psychose, dan zonder OCD.

Maar ik schrok enorm van de uitleg die ik toen gekregen had. Het kleine restje vertrouwen dat ik nog in mijzelf had, verdampte toen mijn psycholoog deze woorden uitsprak. Ik was al zo ontzettend bang om de controle te verliezen en daar kwamen nu ook gedachten bij als: ‘Wat als ik een psychose krijg en dingen ga doen die ik niet meer weet? Wat als ik een gevaar voor mijn kindje word?’

Hoop dat het na de geboorte beter met me zou gaan, hield me op de been. Ik dacht dat als ik mijn kindje eenmaal in mijn armen zou hebben, en ik kon zíen dat hij het goed maakte, ik dan wel rust zou vinden. Maar het liep helaas anders.

In de informatiemap die ik van de kraamzorg had gekregen, las ik dat het belangrijk was om flesjes na het afwassen goed na te spoelen om zeepresten te verwijderen. Mijn getrainde OCD-brein zag overal gevaar. Als zoiets vanzelfsprekends als het afspoelen van zeepresten expliciet vermeld werd, dan moest er vast enig gevaar uitgaan van afwasmiddel… Al snel stond ik eindeloos vermeende zeepresten van de babyflesjes af te spoelen. Een taak die mijn lief binnen 2 minuten gedaan had. Hij riep me dan ook vaak toe , “Het water is niet gratis hoor!” Maar het gevoel van ‘nu is het voldoende afgespoeld’ ontbrak me volledig. Ik werd compleet in beslag genomen door mijn angst een restje te missen en daarmee per ongeluk mijn zoontje te vergiftigen. Toen mijn zoontje van flesvoeding overging op vaste hapjes en zijn afwas bij de gezinsvaat terecht kwam, groeide mijn angst voor resten van afwasmiddel. Had ik mijn bestek, borden en pannen wel lang genoeg afgespoeld? Zouden er zeepresten in ons eten terecht zijn gekomen? Waarom had ik hier eerder nooit bij stilgestaan? Zou ik mijn gezin hiermee vergiftigd hebben? Het vertrouwen in mijzelf naderde een dieptepunt.

Zo stond ik op een dag te koken, toen mijn blik op de open fles afwasmiddel viel die op het aanrecht stond. Die stond overigens al jaren op die plek. Plots flitste de gedachte door me heen ‘wat als je een psychose hebt gehad en je afwasmiddel in het eten gespoten hebt, en je je dit niet meer kunt herinneren?’ In verfijnde details produceerde mijn brein voorstellingen van stralen afwasmiddel die in mijn borrelende pan met spaghetti belandden. Ik had al een tijd nare, ongewenste voorstellingen (intrusies) over alle mogelijke scenario’s waarin mijn kindje gevaar zou kunnen lopen. En nu mondde dat uit in False Memory OCD: nare voorstellingen die zich zo erg aan je opdringen dat je gaat twijfelen of je het wellicht echt gedaan zou hebben. Terwijl dat natuurlijk niet zo is! En dat is precies wat OCD met je kan doen; je durft niet meer te vertrouwen op jezelf, je herinneringen, je gedrag, je intenties en zelfs niet op je zintuigen. De goedbedoelde woorden van de psychologe werkten als extra brandstof voor mijn OCD.

Opnieuw ging koken (of zelfs het inschenken van een glas water) maandenlang gepaard met doodsangst, als er een fles afwasmiddel op het aanrecht stond of zelfs maar in mijn buurt was. En als ik me wel aan koken waagde, dan zette ik de fles afwasmiddel in een aanrechtkastje en plakte deze af met Ducttape. (Ik denk nu zelf ook; bizar!) Vaak hielp dit gedrag niet tegen m’n angst, en gooide ik alsnog tijdens het koken pannen vol goed voedsel in de kliko… (Dure hobby OCD…) Het was voor mijn lief in die periode een ‘verassing’ of we eten zouden hebben als hij thuiskwam van zijn werk, of dat hij weer naar de supermarkt zou moeten omdat ik alles had weggegooid… Machteloosheid, verdriet en frustratie rezen de pan uit. Ik had me het moederschap anders voorgesteld.

Nare voorstellingen OCD richt zich vaak op datgene wat je het meest lief is. In dit geval, mijn kindje. En het belichaamt juist datgene wat je absoluut níet wilt. In dit geval het verliezen van mijn kindje en worst case scenario: het verlies door míjn schuld. Het zijn dus absoluut geen verborgen wensen en verlangens! En ze worden nooit uitgevoerd! Het zijn juist waarschuwingen van: ‘Doe dit niet!’. Ook bij kersverse ouders die geen OCD hebben gaan weleens dingen door het hoofd als: Als ik mijn baby maar niet van de trap laat vallen of in bad laat verdrinken! Zoals Menno het eerder wel eens omschreef: “Nare voorstellingen zijn eigenlijk een bewijs van liefde, dat zich op een wat merkwaardige manier uit.”

Gedurende een lange periode durfde ik deze nare voorstellingen niet tegen hulpverleners uit te spreken (ik ben bekend met intrusies sinds mijn 7e jaar…) uit enorme schaamte en angst dat ze mijn intrusies verkeerd zouden interpreteren, ik van het moederschap ontheven zou worden en ik mijn kindje dan via die weg zou verliezen. Wat ik toen nog niet besefte, was dat ik door er niet over te spreken, mezelf een kans op de juiste hulp ontnam en zo mijn intrusies groeiruimte bood. Zelf kwam ik dus niet over de drempel met mijn verhaal. En helaas vroeg de hulpverlening toen niet, of niet diep genoeg door en bleef mijn OCD dus grotendeels onder de radar.

Achteraf gezien vind ik het heel erg jammer dat ik van mijn hulpverleners in de jaren voor mijn zwangerschap niet voldoende psycho-educatie heb gehad over OCD en nare voorstellingen. Er ontbrak voor mij belangrijke uitleg in de informatie die ik wel aangereikt kreeg, zodat ik mijzelf er niet voldoende in herkende. Wat ik miste in deze uitleg? Er werd bijvoorbeeld niets gezegd over nare-voorstellingen-OCD en er werd ook te weinig aangegeven over de enorme diversiteit van de verschillende dwang-vormen. En dat is natuurlijk verschrikkelijk zonde. Want de juiste voorlichting had veel voor mij kunnen betekenen. Ook zónder direct mijn grootste angsten te hoeven uitspreken, had ik dan mijn problematiek in de juiste context kunnen plaatsen. En dat zou mij dan weer hebben geholpen om wél en veel eerder hulp te vragen.

Psychische problematiek is nogal eens omringd door schaamte en angst, zeker rond zwangerschap en geboorte. Dat geldt natuurlijk ook voor intrusies. Juist de combinatie van zulke beangstigende gedachten tijdens zo’n kwetsbare periode maakt het taboe om er open over te zijn vaak groot. En al snap ik dat heel goed; ik vind het ontzettend jammer. Want (vroege) herkenning kan hét verschil maken. En weten dat je niet de enige bent is een enorme opluchting!

Inmiddels gaat het stukken beter met me dan in de hier geschetste periode. Mede door de juiste therapie én lotgenotencontact is mijn leven nu weer leefbaar. Het was even vechten zoals ik in het begin vertelde, maar in 2019 kreeg ik officieel de diagnose en hele fijne therapie! Ik leerde toen dat ik de oplossing niet moest zoeken in meer controle, maar in het oefenen van vertrouwen. En waar ik tegen mijn therapeuten eerst niet open durfde te zijn, vond ik dat bij lotgenoten minder eng. (Die houden immers geen dossier over je bij!) Daar durfde ik voorzichtig te oefenen met het delen van mijn verhaal. Ook zorgden de ervaringsverhalen van anderen voor meer begrip en inzicht in mijn eigen dwangstoornis. Dit vertrouwen en de nieuwe inzichten nam ik vervolgens mee naar mijn therapeut waardoor onze gesprekken meer tot de kern van het probleem konden komen. Daarnaast heeft lotgenotencontact ook veel betekend voor mijn gevoel van eigenwaarde. Waar ik mijzelf jarenlang zeer veroordeelde vanwege mijn intrusies, deed ik dit niet bij andere moeders én vaders die ik ontmoette. Van hen kon ik gemakkelijk zien wat voor lieve en gewetensvolle mensen het waren. En dat maakte dat ik met steeds meer mildheid naar mijzelf leerde kijken. Het was niet stom ván me, maar stom vóór me, dat ik last heb van een dwangstoornis. (Woorden van Menno, evenals de mooie zinnen aan het eind van de volgende alinea.)

Mijn dwangstoornis is echt invaliderend geweest. Toch zag mijn omgeving er weinig van. (Het verlies van mijn baan viel natuurlijk op, maar de reden wist niemand.) Behalve mijn partner en mijn ouders (een beetje). Samen stonden we machteloos toen we nog niet wisten waar we tegen vochten. Mijn lief ging vaak tegen mijn angst in, maar uiteindelijk dan toch vaak mee in mijn vermijding, omdat mijn onrust te groot was. Je kunt niet steeds ruzie hebben over ‘hoe lang de flessen afgespoeld mogen worden’ of ‘dat de kat op bed mag slapen’.  En mijn lief zag ook: het lukt Marjolijn niet, hoe hard ze het ook probeert. Het is geen kwestie van te weinig discipline of geen realiteitszin.

Ik ervaar mijn OCD vaak alsof ik een gevoelswaan heb, terwijl ik bij mijn volle verstand ben. Ik wéét heus wel dat wat ik vrees, zo’n vaart niet loopt, maar mijn gevoel wil niet mee. En dat is voor buitenstaanders vaak heel ongrijpbaar, dat snap ik, maar als je hier last van hebt is het alleroverheersend en heel concreet.

 Wat ik daarom heel helpend vind, zowel voor mijzelf als mijn naasten, is de zin: Ben streng voor de dwang, maar lief voor de drager ervan! Nu kan mijn lief zeggen: “Ik snap je onrust Marjolijn, maar ik ga hier niet meer in mee.”

En wat ik ook een hele helpende zin vind: Neem de last die iemand van zijn OCD ondervindt serieus, maar niet de inhoud! Ik hoop dat mijn verhaal het belang hiervan heeft kunnen illustreren.

Wat mij betreft mag er veel meer informatie over dit onderwerp de openheid in; alles wat helpt om de drempel tot praten te verlagen. Zowel buiten als binnen de muren van de gezondheidszorg (GGZ, huisartsen, verloskundigen, UWV etc.) is er nog veel op dit terrein te verbeteren.

Na al die jaren vrees, heeft openheid mij meer gebracht dan ik ooit had durven dromen.

 

Foto: Chantal van Dooren